1. Missie van de school:

 

Inleiding

 

BuSO De Wissel werd in 1969 opgericht onder het bestuur van Intercommunale Gehandicaptenzorg Limburg en stelt “De zorg voor de medemens” centraal.

Het wil jonge mensen, die psychisch gekwetst zijn of verstandelijk of sociaal minder bedeeld zijn, helpen zich maximaal te ontplooien om zich in het gewone maatschappelijke leven te kunnen handhaven naargelang zijn capaciteiten in een werk-, woon, leefsituatie.

Onze school vervult in de huidige maatschappij een dubbele taak: onderwijs en opvoeding.

Naast het doorgeven van specifieke vakkennis en vaardigheden, beoogt deze een harmonische ontplooiing van de totale persoonlijkheid van elke jongere. Verstand, gevoel, wil en motoriek moeten verder getraind worden om de jongere optimaal te laten ontwikkelen tot een gelukkige en zelfstandige volwassene in onze huidige maatschappij.

 

Doelstellingen:

 

Cognitieve en Psycho-motorische doelstellingen:

 

De Wissel wil onderwijs verstrekken vanuit een pluraristische visie. De leerlingen hebben de keuze tussen Katholieke Godsdienst, Protestantse Godsdienst, Islam of Zedenleer.

De Wissel wil de eigenheid van elke jongere respecteren en haar aanpak naar elke jongere optimaal individualiseren.

De beroepsopleiding blijft het wezenlijke doel van onze school. Naast het doorgeven van de nodige kennis en kundigheid, wordt bijzondere aandacht gegeven aan het leren verwerven van geschikte arbeidsattitudes. Ook wordt geprobeerd de verworven basiskennis van taal en rekenen maximaal te behouden of nog verder uit te breiden.

 

Affectieve doelstellingen:

 

De persoonlijke ontwikkeling stellen we eveneens centraal. De jongere moet leren kiezen voor wat het leven zinvol en waardevol maakt voor zichzelf en de anderen. Vanuit een voorhouden en voorleven van fundamentele waarden zoals eerlijkheid, openheid, verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid, trouw e.a. wordt de jongere begeleid tot het maken van bewuste keuzen.

 

Motorische en psycho-motorische doelstellingen:

Het ontwikkelen van motorische en zintuiglijke vaardigheden bij de jongere ziet de school eveneens als een belangrijke opdracht. Doorheen de lessen van lichamelijke en plastische opvoeding, wordt bijzondere aandacht besteed aan de totale mens.

In het oefenen van communicatieve en sociale vaardigheden willen we de leerlingen helpen tot meer openheid naar de anderen en hen gevoelig maken voor de wereld rondom hem.

In het scheppen van ruimte voor creativiteit en persoonlijke inbreng, willen we doorzettingsvermogen en gedrevenheid trainen tot grotere zelfstandigheid.

De school wil de jongere ook bewust maken en waardering laten opbrengen voor natuur, cultuur en techniek. Een basis aan computerkennis mag in onze huidige maatschappij niet ontbreken. Daar wordt dan ook in elke opleidingsvorm aandacht aan geschonken.

2. Pedagogische principes

 

2.1. BASISPRINCIPE: RESPECT VOOR ELKAAR

 

Geloven in de leerling

Om pedagogisch zinvol te kunnen handelen is het noodzakelijk dat we blijven geloven in een positieve evolutie bij onze leerlingen. Zowel de zwakke als de moeilijke leerlingen willen vooruit. Elk storend gedrag moeten we ervaren als een hulpvraag. Het is de taak van de leerkracht om bij afwezigheid van positieve evolutie, te blijven zoeken naar nieuwe vormen van aanpak en pedagogische middelen.

Onderlinge loyaliteit

Leerkrachten moeten tegenover de leerlingen met gezag kunnen optreden. Wederzijds respect en onderlinge loyaliteit zijn dan ook noodzakelijk.  Hoewel collegialiteit hoort bij de houding van elk personeelslid van de school, groeit deze vaak verder uit tot appreciatie tussen collega’s door zowel het samen werken als door informele ontmoetingsmomenten met mekaar.  Kritiek op collega’s of beheer van de school in het bijzijn van leerlingen of ouders is onverenigbaar met de functie. Bij moeilijkheden of ontevredenheid kan men steeds terecht bij de directie of inrichtende macht.

Onenigheid met collega’s bespreekbaar maken om gezamenlijk tot een haalbare oplossing te komen doet geen afbraak aan loyauteit, integendeel, het wijst op een gevoel van verantwoordelijkheid naar elkaar toe.

 

2.2.AANPAK VAN DE LEERLINGEN

 

Structuurverlening

 

1.Structuurverlening wil op de eerste plaats zeggen dat de leerling duidelijk moet weten wat van hem of haar verwacht wordt. Zonder duidelijke regels of wetten is er geen samenleven mogelijk. Ze berusten dus niet op willekeur, maar op noodzakelijke afspraken om het schoolgebeuren voor iedereen aangenaam en boeiend te laten verlopen.

Het is correct dat een vertrouwensrelatie met de leerling opbouwen zeer positief is. Maar met moeilijke leerlingen kan slechts een relatie opgebouwd worden vanuit een duidelijkheid, die veiligheid biedt. Een leerling die zich goed voelt bij een leerkracht omdat het gedrag van deze bijna voorspelbaar is en niet op willekeur gebaseerd is, zal ook gemakkelijker een relatie opbouwen.

Een relatie opbouwen met moeilijke leerlingen door eerst te proberen hun vertrouwen te winnen via het geven van affectie, is gedoemd tot mislukken. Een leerkracht die zoekt de sympathie van zijn klas te winnen op een andere wijze dan door kordaat te eisen dat iedereen zich houdt aan de gemaakte afspraken, zal elk gezag over die klas verliezen. Men wordt pas geliefd door de leerlingen wanneer men voorspelbaar is. Zeker bij sociaal en affectief verwaarloosde jongeren is het winnen van hun sympathie door toegeeflijkheid, een voorspelbare ramp. Affectief gekwetste jongeren kunnen niet zinvol reageren op affectie. Ze hebben wel liefde, maar vooral duidelijkheid nodig. Affectie geven is pas zinvol nadat er een relatie werd opgebouwd en gebeurt in functie van de jongere.

Verwar vooral affectie niet met liefde. Liefde heeft elk kind nodig!Liefde is een begaan zijn, een bekommerd zijn en zich open stellen voor de andere. Affectie is een vorm van liefdevol omgaan, maar kan pas komen nadat er een zeker vertrouwen is ontstaan.

 

2.Op de tweede plaats moet de leerling ervaren dat deze regels niet afhankelijk zijn van, of belangrijk zijn voor één of twee leerkrachten, maar gedragen worden door alle leerkrachten.

Het is dan ook noodzakelijk dat alle leerkrachten volledig achter het schoolreglement en begeleidingsdossier van de leerlingen staan. Ook hier is duidelijkheid een hoeksteen voor een aangename sfeer op school. Het is niet de leerlingbegeleidsters, orthopedagoge of de directie die moet instaan voor tucht op school. Het is de concrete opdracht van elke leerkracht.

 

3.De leerling moet weten dat het niet naleven van het reglement altijd aanleiding geeft tot minder aangename gevolgen waarbij isolering bijna onvermijdelijk is (in al zijn vormen: gaande van het onthouden van positieve aandacht tot het niet meer bij de groep kunnen horen). Zowel de leerlingbegeleidsters, de orthopedagoge als de directie ondersteunen de leerkracht bij het geven van verantwoorde sancties. Deze zijn maar verantwoord als ze steunen op gemaakte afspraken en in functie staan van het kind.

 

4.Structurering vraagt noodzakelijkerwijze een voorleven van alle begeleiders op school. Wij zijn willens nillens een model voor hen, zowel in het naleven van regels als in ons omgaan met boosheid en frustratie. Onze leerlingen zijn uiterst gevoelig voor onze lichaamstaal. “Woorden wekken, maar voorbeelden strekken.”

 

Positieve ondersteuning

 

Positieve ondersteuning wil zeggen dat we steeds vertrekken van de eigenheid van elk individu en steeds zoeken naar mogelijkheden waardoor de leerling zich optimaal kan ontplooien. De leerling bevindt zich op school in een leersituatie. Zonder interesse, motivatie en emotionele betrokkenheid is er geen leren of hebben we alleen een holle leersituatie. Het schoolreglement kan helpen de leersituatie te omschrijven en te ondersteunen. Of de situatie een leersituatie is, zal echter afhangen van de motivatie van de leerling en /of de mate waarin de leerkracht de interesse van de leerling weet te wekken. Hierbij kan zowel de persoonlijkheid van de jongere als zijn leefsituatie heel beperkend werken. Deze beperktheid kunnen we niet zomaar wegnemen, we moeten zoeken naar mogelijkheden om die bestaande beperktheden te omzeilen en vooral zelf geen nieuwe beperktheden te creëren.  De leerkracht probeert in de leersituatie het bieden van uitdaging en van veiligheid zodanig te combineren dat het leren en verwerven van vaardigheden een moment van plezier kunnen betekenen, zowel voor de leerling als voor de leerkracht zelf.

Soms zal het optreden van de leerkracht noodzakelijk zijn. Willen we dat deze tussenkomst het leren niet verstoort dan zal deze interventie zo positief mogelijk dienen te gebeuren. Hierbij is het duiden en bekrachtigen van gewenst gedrag altijd te verkiezen boven sancties.

 

Het is heel belangrijk dat we de jongere aanvaarden zoals hij of zij is. “Houden van” klinkt misschien overdreven maar toch is het noodzakelijk om de vele neveneffecten van zijn/haar gedrag te kunnen blijven verdragen in het proces van aanvaarding.

Aanvaarden wil echter niet zeggen dat we alles moeten aannemen. Onaanvaardbaar gedrag mag niet getolereerd worden, maar daarom moet de jongere niet verworpen worden.”Houden van” wil ook niet zeggen dat we extra lief moeten zijn, maar houdt in dat we steeds weer moeten proberen de jongere te begrijpen zonder zijn welzijn uit het oog te verliezen.

Het kan belangrijk zijn om soms bepaald gedrag door de vingers te zien, omdat we de onmacht van de jongere begrijpen, maar tegelijkertijd moeten we steeds ons streefdoel behouden. Bij al onze vragen en eisen moeten we steeds goed overwegen of ze de leerling wel ten goede komen en of ze voor de leerling haalbaar zijn. We mogen geen toegevingen doen aan wat we vragen of eisen, wel moeten we geduld hebben vanuit een begrijpen van de jongere en zijn omgeving en gezin. Geduld blijft naast liefde en duidelijkheid een zeer belangrijke attitude in de opvoeding. Geen onmiddellijk resultaat nastreven, wel op termijn en steeds met kleine stappen. Vandaar ook het grote belang van het individueel handelingsplan.

 

Essentieel is natuurlijk dat we geloven dat de jongere in staat is te doen wat we vragen. Dat we ook geloven dat hij/zij het zal doen. Zonder dit geloof spreekt onze lichaamstaal vaak onze verwachtingen tegen en wordt dit door de jongere als storend ervaren. Er mag geen paradox bestaan tussen ons handelen en ons denken. We moeten geloven in ons uiteindelijk doel, maar moed en voldoening putten in het bereiken van veel kleinere stappen.

 

Steun van de directie

 

Alle middelen die leerkrachten willen proberen in het belang van de leerlingen en gericht zijn op verhoging van hun motivering, interesse en kennis, krijgen de steun van de directie (binnen het financieel haalbare).

Het is belangrijk dat de leerkracht beseft dat hij/zij verantwoordelijk is voor wat in de klas gebeurt, maar dat dit hem/haar ook de vrijheid geeft om, steeds in het belang van de leerlingen, nieuwe zaken uit te proberen. Binnen de afspraken met de collega’s en schoolreglement, blijft er een zeer grote mogelijkheid van creativiteit. Wanneer een leerkracht op elk moment zijn handelen kan verantwoorden in functie van het welzijn van leerlingen en collega’s, dan mag hij/zij rekenen op de steun van de directie.

Wanneer de directie niet akkoord gaat met de houding of opvattingen van de leerkracht, zal ze dit persoonlijk aan betrokkene laten weten.